|
De jacht op de meesterdief
Als Falco op een morgen wakker wordt, is alles wat hij bezit gestolen, behalve de kleren die hij draagt met daaraan een briefje:
Hooggeachte namaakbaron,
Je bent de ergste schurk die ik ooit gekend heb. Ik had baron moeten worden, niet jij! Ik steel je alles af. Ik ben de Algapper, en er is niets dat ik niet kan stelen. Denk maar niet dat je je paleis gewoon weer opnieuw kunt opbouwen. Ik zal het steeds weer stelen, net zolang tot je de moed opgeeft en als een bedelaar langs te straten zwerft.
Je vroegere vriend, Ekster
Fragment uit De jacht op de meesterdief
Ik ben geboren in de grootste stad van de wereld. Die stad wordt Duim genoemd en ze ligt zo ver weg, dat je er waarschijnlijk nog nooit vangehoord hebt. En je vrienden ook niet, en je vriendinnen niet en je ouders niet. Zelfs je juf of je meester niet. Behalve natuurlijk als jullie het boek ‘De Wraak van de Meesterdief’hebben gelezen. Daarin wordt uitgelegd dat er een werelddeel is datHand heet, omdat het de vorm heeft van een hand. Het grote schiereiland dat op de duim lijkt, is één onafzienbaar overweldigende stad. Een stadzo groot, dat ze geen burgemeester heeft maar een keizer; de verschillende wijken hebben graven en baronnen. Ergens in die geweldige stad is een akelig, ondergronds hol. Een heel diep hol, met talloze gangen. Sommige van die gangen zijn ingestort;andere kunnen ieder moment op je hoofd vallen, als je zo dom bent erdoorheen te lopen. In andere gangen, waar je wel doorheen kunt, liggen stiekeme valkuilen en hekken en klemmen en spiesen. Levensgevaarlijk voor wie de weg niet kent. Aan het eind van de onderste gang is een grote, grot-achtige zaal. Er hangen toortsen aan de muur en in het licht van die toortsen staat een troon te glimmen als goud. Maar hij is niet van goud; hij is bespijkerd met koperen muntjes, die twee keer per dag worden opgepoetst tot ze goudglimmend glanzen. Boven de troon hangen gordijnen. Niet van zijde of damast, maar van ouwe vodden en raggen. Want dit is de troon van de koning der bedelaars. Vadsig als een ouwe pad zit hij daar. Zijn huid is grauw, want hij zit de hele dag in zijn zaal en de zon is hij vergeten. Hij is zo dik, dat hij niet eens uit zijn troon kan komen. Hij heeft vlooien en ziektes en beurse plekken. Dat hebben zijn lakeien allemaal ook en die hebben nog wel ergere dingen bovendien, want alleen de allerzieligste bedelaars mogen lakei van de koning worden. Ze zijn kreupel of getikt of allebei. Ze scharrelen door de zaal en mompelen warrig tegen zichzelf. Of ze zitten zich te krabben, stilletjes in een hoekje. Eigenlijk zijn het waardeloze lakeien. Je hebt er niks aan. Maar de koning houdt ze toch, want wie moet er anders voor hen zorgen? Op een dag kwam er een oude lakei de zaal binnen. Hij had een bochel; benen had hij niet. Hij zat in een klein houten wagentje op wielen. Met twee prikstokken duwde hij zich naar de troon. Het ging maar langzaam, want de vloer was hobbelig en overal lag rotzooi. Gebroken vaatwerk,lorren, schimmels en broodkorsten. Hijgend kwam de lakei bij de koning. ‘Meh...ajesteit,’ zei hij, ‘we heh...ebben een geh...evangene.’
vanaf 8 jaar
gebonden
144 pagina's
ISBN: 9789025110376
oktober 2007
12,90 euro
Bestel nu DE JACHT OP DE MEESTERDIEF
|